Abke Haring

Ivo van der Bent

Voor de Nederlandse Abke Haring (°1978) leek in eerste instantie een carrière als actrice weggelegd. Nog tijdens haar acteursopleiding aan de toenmalige Studio Herman Teirlinck in Antwerpen trekt ze de aandacht van regisseur Luk Perceval, die haar engageert in verschillende Toneelhuisproducties. Pas wanneer Guy Cassiers haar in 2010 vraagt om een van de vaste theatermakers te worden onder de vleugels van Toneelhuis, komt ook het bredere theaterpubliek te weten dat Haring eigen voorstellingen schrijft, maakt en speelt, zoals ze al deed in Nageslachtsfarce/genocide (2002), het project waarmee ze afstudeerde aan de Studio. De monoloog schetst in gitzwarte trekken de verwrongen verhouding tussen een dochter en een geestelijk zieke moeder. “Daar heb ik de taal gevonden als wapen,” zal Haring over die voorstelling zeggen.

 

Verstoorde familiebanden

 

En wat voor wapen. De verknipte moeder-dochterband uit Nageslachtsfarce/genocide krijgt vorm in messcherpe taalflarden, die weinig ruimte laten voor de illusie van harmonie. De even geliefde als gehate moeder keert later overigens nog terug in Hoop (2006) en in Linoleum/Speed (2009). In Kortstond/Zelfbaat/Tucht (2004) krijgt ze het gezelschap van twee broers en een huis. Het is duidelijk dat het kerngezin aanvankelijk de rode draad vormt door het schrijven van Haring, maar altijd in zijn meest onderdrukkende, ongezonde vorm.

 

het spijt me
dat ik liefde zag voor haat
dat jij mij zag als een vriendin
en dat ik je daarin heb laten begaan
tot het te gênant werd
het spijt me dat ik de dingen die je zei soms zo verkeerd begreep
en het spijt me ook
dat ik soms je liefje neukte
ik deed je pijn
en dat spijt me alsnog

 

(uit: Nageslachtsfarce/genocide)

 

De familiale nucleus is in Harings verbeeldingswereld het toneel van eenzaamheid, sadisme en geweld. In latere teksten als HOUT (2010), FLOU (2011) of TRAINER (2013) zal ze die specifieke context van scheefgegroeide machtsverhoudingen uitbreiden tot de relatie tussen een individu en zijn gemeenschap. De baseline blijft dezelfde: de mens worstelt met zijn disciplinering door een omgeving (met als oertopos: de baarmoeder) die hem beknelt. Hij wil groeien, hij wil ontsnappen, hij wil vrij zijn.

In de interpretatie van die voortdurende worsteling schuilt echter het grootste misverstand rond het werk van Abke Haring. Zowel haar teksten als haar theatertaal (duistere, bevreemdende settings, monotone soundscapes) leiden wel eens tot de opmerking dat haar werk ‘donker’ is, deterministisch zelfs. Vooral dat laatste is Haring een doorn in het oog. Dát het individu de strijd steeds weer aangaat, hoe groot ook zijn vernedering, ziet zij juist als een bewijs van de oneindige levenskracht van de mens – niet van zijn vernietiging. Vandaar ook dat veel van Harings voorstellingen en teksten bestaan uit kringstructuren: ze geeft haar personages telkens weer de mogelijkheid opnieuw te beginnen.

 

ik heb ver gelopen

ik voel het aan mijn voeten

en mijn

rug

ik ben ok

[…]

in mijn zak

stiekem

voor de check in mijn zak gestoken

een hart

[…]

er kon eerst veel dan minder – niets

zag de uitgang bij het binnenkomen

maar was vergeten waar

ik geloof

in de tocht

die ik maak

in de persoon

die ik draag

ik zie

bij aankomst
wie ik was

 

(uit: HOUT)

 

Ontheemde taal

 

Harings schriftuur is niet de meest toegankelijke: het gaat om afgebeten teksten die functioneren als een mantra, eerder dan als vertelling. De woorden moeten een trauma bezweren. Ze cirkelen om die geschonden (familie)relaties heen, zonder de scheur ooit te vatten. Dramaturg Erwin Jans noemde Harings teksten ooit ‘ontheemd’ – net zo ontheemd als haar personages, die radeloos op zoek zijn naar een thuis en wat geborgenheid. Wanneer Haring haar eigen teksten ensceneert krijgen die zoekende woorden vaak een expliciete plek: ze verschijnen bijvoorbeeld op een lichtkrant, als een bombardement van rood-oplichtende letters. Dit projecteren van woorden als beeldend kunstwerk gebeurt zowel in HOUT als in Song#2 (2013). Haring behandelt de taal als object, geeft de woorden in hun materiële verschijning vorm en ‘lijf’. Betekenisvol biografisch detail: in een gesprek daarover verwijst Haring naar haar vader, een letterzetter. Als kind leerde ze de letters in eerste instantie kennen als tastbare metalen voorwerpen.

Ook op het papier zijn Harings woorden méér dan lege hulzen, meer dan de dragers van hun betekenis. Het zijn visuele sculpturen, nu eens verticaal en dicht aangedrukt tegen de bladspiegel, staccato, dan weer als een uitgerekte, horizontale stream-of-consciousness van achtereenvolgende woorden. Het ritme van de taal, maar ook de soms obsessieve herhaling en de vaak emotieloze zegging op het podium, zorgen ervoor dat Harings teksten de kracht krijgen van formules. Het zijn rituele gezangen die bij de lezer de zintuigen dienen te prikkelen, eerder dan het verstand. De bedwelmende muzikaliteit van de taal moet zorgen voor een flow, net zoals Harings voorstellingen zelf dat beogen.

Recht naar de onderste regionen van het lijf gaat ook de ontregelende afwisseling van een hoog en een laag register. Fijnbesnaarde poëzie en de meest obscene vulgariteiten gaan in Harings talige verbeelding hand in hand. Wat bijvoorbeeld te denken van:

 

zie je graag

ik mis je zo hard

als een liedje zijn refrein

een spel

spelletje

ik trek de jongen af

hij komt in jouw gezicht

ik doe om de bezem

een condoom

doe hem in me

dat je kijkt

je handen op mn tieten

en een tutter in je mond

ik ga bloot op je liggen

met mn billen

naar je gezicht

mn kont open

 

(uit: Hoop)

 

Tussen scabreus en poëtisch taalgebruik in staat als derde ‘taalkleur’ de spreektaal, gebruikt om de allergrootste banaliteiten mee uit te drukken, zoals deze die het koppel in FLOU (2011) of recenter nog in PLATINA (2018) met elkaar uitwisselen. Opnieuw gebruikt Haring de taal niet als betekenisdrager, integendeel: wat tussen het gebabbel over groenten en de buren in steeds schrijnender duidelijk wordt, is de schreeuwende leegte tussen de partners. Een leegte die stilstaat in de tijd, met de man en de vrouw als dieren vastgevroren in een eeuwenoude ijskap. De ervaring van tijdloosheid dringt zich geregeld op bij het lezen van Harings werk. De meeste teksten kennen geen tijdsverloop; het zijn situaties, toestanden van een aanslepend nu. Vooral FLOU is een eindeloos surplacen, de personages geraken voor geen meter vooruit.

 

Zij:

ik moet even gaan liggen

ik krijg geen adem

wat is er

waarom zeg je niets

wat moet ik zeggen

wat er is

er is niets

waarom moet er iets zijn als ik even niets zeg

je zegt al heel lang niets

ik vraag gewoon wat er is

je bent zo stil

dat komt omdat jij steeds vraagt wat er is

ik vraag niet steeds wat er is

je hebt het nu al twee keer gevraagd

omdat je zo stil bent

je zegt al zo lang niets

ik wil weten wat er is

er is niets

 

Zo eenzaam haar personages, zo eenzaam ook de woorden van Haring. Rond de schaarse frasen scharen zich grote witruimten van stilte. Soms lijken de woorden niet te willen bestaan – zo minimaal en uitgepuurd zijn ze, alsof Haring nog het liefst van al wilde zwijgen.

In een gesprek gaf ze ooit toe eigenlijk liever beelden te creëren, of bewegingen, “en toch zijn het steeds weer de woorden die komen.” Woorden als beelden, onderling inwisselbaar. Het maakt van Abke Haring een dichter, zelfs al is dat tegen wil en dank.

 
DOWNLOAD TEKSTFRAGMENT UIT ‘PLATINA/UNISONO’
 

Contact: abkeharingwerk@gmail.com

Geschreven door: Evelyne Coussens 

Evelyne Coussens studeerde klassieke filologie aan de Universiteit Gent en theaterwetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Ze werkt bij publiq en is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende andere cultuurmedia (o.a. Ons Erfdeel, rekto:verso, Etcetera, Theatermaker). Ze is lid van de grote redactie van Etcetera en zetelde in verschillende jury’s. Coussens is ook gastdocent rond cultuurtheorie en kunstkritiek aan verschillende hogescholen en universiteiten.


BIBLIOGRAFIE

  • Maison fragile (2003) – in samenwerking met Bart Meuleman
  • KORTSTOND (2004)
  • HOOP (2006) – uitgegeven bij Bebuquin in bundel ‘De dingen en ik’  
  • HOUT (2010)
  • FLOU (2011) – uitgegeven bij Bebuquin
  • SONG#2 (2012)
  • TRAINER (2013)
  • PLATINA (2018)/ UNISONO (2015) – uitgegeven bij Bebuquin