BOG.

Taatske Pieterson

Een van de meest markante theaterauteurs vandaag in Vlaanderen is een auteurscollectie(f), en dat is veelbetekenend. De meerkoppige gedaante van BOG., bestaande uit auteur-theatermakers Judith de Joode, Benjamin Moen, Sanne Vanderbruggen en Lisa Verbelen, aangevuld met dramaturg Roos Euwe en zakelijke leider Anne Baltus, is een sign of the times.

Sinds het nieuwe millennium lijkt het theater maar ook het hele kunstenveld enigszins genezen van zijn koortsige zoektocht naar individuele excellentie zoals dat in de decennia voor de eeuwwissel sterk het geval was. De generatie twintigers-dertigers die volwassen is geworden met de crisis zoekt opnieuw naar gedeelde praktijken en onderlinge verbondenheid – misschien uit zelfbehoud, maar niet zelden ook gewoon uit goesting. Voor een theaterschrijver betekent dit dat de notie van ‘auteurschap’ als de intellectuele vrucht van één unieke pen steeds minder relevant wordt en, zoals in het geval van BOG., vervelt tot een gezamenlijk proces van praten, uitwisselen, schrijven en herwerken – tot er een gedeelde taal ontstaat. Niet alleen in methodiek en in vorm vertelt het oeuvre van BOG. iets over deze tijd; ook in zijn thematieken legt de Vlaams-Nederlandse collectie getuigenis af van een generatie op zoek naar houvast.

 

Een collectie

 

‘Een collectie’, zo noemt BOG. zichzelf, en dat is een programmatische keuze. Ze slaat zowel op het samenbrengen van de vier makers en hun (solo-)projecten als op de centrale poëtica van de groep. De Joode, Moen, Vanderbruggen en Verbelen zijn allen geboren in 1988 en afgestudeerd aan de toneelscholen van Maastricht en Amsterdam. Pas na het maken van hun eerste voorstelling BOG.een poging het leven te herstructureren (2013), beslissen ze verder te gaan in een gelijknamige ‘verzameling’. Eén keer per jaar werken ze collectief aan een project, daarnaast zetten ze alle vier hun eigen sporen uit. Wat ze in dat gezamenlijk project doen is precies dat: het collecteren, verzamelen, samenbrengen en proberen te structureren van gedachten, feitelijkheden, ervaringen. (Dat de Franse auteur Georges Perec een steeds terugkerende inspiratiebron is hoeft niet te verbazen.) Steeds gaat het om een poging grip te krijgen op een onderwerp dat te groot lijkt om te vatten, zeg maar: het leven. Om dat grootse enigszins te overzien bedient BOG. zich niet zelden van het procedé van de nevenschikking. De auteurs stallen hun gedachten zorgvuldig uit in een etalage en kijken er vervolgens zelf met de nodige verwondering naar.

 

EERSTE BEDRIJF

 

Dat wat we wel weten
Beginnen/groeien
Groeien
Groeien
Groeien
Verwacht worden
Of onverwacht zijn
Groeien
Groeien
Groeien
Verlaten:
Druk voelen
Eruit willen
Scheuren
Openrijten
Licht zien.
Hoofd naar buiten duwen
Er uit geperst worden
Bebloed zijn
Beslijmd zijn

 

(uit: BOG. een poging het leven te herstructureren)

 

Meerstemmigheid

 

De methodiek van de meerstemmigheid beperkt zich niet tot de vier auteurs zelf. Een schrijf/maakproces begint voor BOG. met het bijeenbrengen van inspiratiebronnen, fascinaties, zelfgeschreven aanzetten of opdrachten, maar daarbij spreken ook stemmen mee buiten henzelf. Voor BOG. een poging het leven te herstructureren vroeg het collectief bijvoorbeeld een bredere groep mensen naar de belangrijke momenten van hun leven, en de antwoorden van deze ‘donateurs van ervaringen’ resoneerden mee in de uiteindelijke tekst. Naar aanleiding van de opvolger MEN. de mening herzien (2014), besloot het collectief deze toevallige gesprekspartners uit te breiden naar een nog bredere cirkel veelal onbekenden, die sindsdien dient als bron van reflectie of inspiratie – zonder dat BOG. zichzelf ertoe verbindt om dit systematisch te doen of het verzamelde materiaal ‘verplicht’ te gebruiken in hun voorstellingen. De ontspannen omgang met de eigen intussen verworven methodiek, stijl of signatuur is volgens dramaturg Roos Euwe een teken van de volwassenwording van het gezelschap, zoals Euwe schreef in het jubileumboekje OPGROEIEN HERGROEIEN over vijf jaar BOG. Ten bewijze: na de collectieve voorstellingen GOD. (2015), OER. een oefening (2016) en KID. een voorstelling voor volwassenen over kinderen en een voorstelling voor kinderen over volwassenen (2017) ging in december 2018 Iemand die slaapt in première, de eerste BOG. – voorstelling zonder de intussen vertrouwde drieletter – titel en voor het eerst ook een bewerking – op BOGs wijze – van een bestaande tekst. Van Perec, uiteraard.

 

Een taalritueel

 

Wanneer een auteursgezelschap bestaat uit verschillende stemmen is het waarschijnlijk dat dat andere tekstvormen oplevert dan het ‘klassieke’ monologische of dialogische drama. Wie een paar tekstbrochures openslaat merkt dat de meeste teksten van BOG. er eenvormig en repetitief uitzien: BOG. is opgebouwd uit een collectie van onpersoonlijke infinitieven, in MEN. begint elke zin met ‘Ik vind’ gevolgd door een mening en in GOD., niet toevallig een zoektocht naar iets hogers dat ons verbindt, is ‘wij’ de leidende persoonsvorm.

 

BEGINNEN

 

Wij zijn er.
Wij gaan iets zeggen.
Wij hebben al iets gezegd.
We hebben het eerste woord gezegd.
4. Mogelijk was dat het goede woord.
Mogelijk was dat niet het goede woord.
2. We gaan denken aan een beter woord voor dat eerste woord.
Aan meer woorden in plaats van dat eerste woord.
3. Aan andere woorden.
2. Aan veel woorden.
4. Aan geen woorden.
Aan stilte.
Aan een ander soort stilte.
4. Aan niets.
2. We gaan in ieder geval op een bepaalde manier beginnen.
3. We gaan dingen zeggen.
1. We gaan dingen doen.
Dingen denken.
2. Mensen citeren.
4. We gaan heel veel niet zeggen.

 

(uit: GOD.)

 

Het zorgt voor een grote muzikaliteit, een belangrijke leidraad in het werk van BOG. De herhaling bezorgt de teksten van BOG. een ritmische cadans – de woorden worden ritueel, ze krijgen de kracht van een muzikale formule of een bezwering. Juist daardoor zijn ze herkenbaar voor én deelbaar met een groot publiek. Ondanks het feit dat de worsteling van de makers telkens persoonlijk en in zekere zin zelfs autobiografisch is, zorgt de universele stijlvorm voor een mogelijke invoelbaarheid voor iedereen. Ook het procedé van de nevenschikking verzekert de afstand die noodzakelijk is om los te komen van het particuliere: de makers vertellen niet, ze tellen – ze stallen hun gedachten uit zonder er een emotionele of morele betekenis aan vast te knopen. Euwe gebruikt in haar boek het woord ‘objectief’ als ‘optelsom van zoveel mogelijk subjectieve perspectieven’.

Het naast elkaar plaatsen van gedachten gebeurt uiteraard niet willekeurig, er zit wel degelijk een evolutie, een dramaturgie in de collectie van bijeengeplaatste betekenissen. In MEN. evolueren de meningen van eenvoudig naar complex, van algemeen naar specifiek. Ook in OER. een poging, een opeenvolging van drie monologen waarin Moen, de Joode en Verbelen elk op hun manier trachten vat te krijgen op het denken, schuiven de makers op van abstract-filosofische gedachte-experimenten naar concreet-persoonlijke bekentenissen.

 

Ik vind de vlecht suf.
4. Ik vind de sandaal chic.
2. Ik vind de koffie slap.
1. Ik vind het hertje dartel.
4. Ik vind de hond grappig.
1. Ik vind de zus grappig.
3. Ik vind de zus dik.
3. Ik vind de zus stom.
3. Ik vind de zus lief.

(…)

Ik vind dat mensen meer over politiek moeten weten.
2. Ik vind dat ik meer over politiek moet weten.
3. Ik vind de kleur plastiek groen lelijk..
Ik vind de geur cacao lekker.
1. Ik vind de geur bierbrouwerij vies..
2. Ik vind dat je niet altijd vriendelijk hoeft te zijn.
4. Ik vind wel dat je vriendelijk moet zijn tegen trambestuurders.
(…)

Ik vind dat pedofilie een ziekte is.
Ik vind dat we pedofielen als mensen moeten behandelen.
Ik vind dat we pedofielen preventief pijnloos moeten castreren.
Ik vind dat we het bestaan van pedofilie moeten leren accepteren.
Ik vind dat we pedofilie met een schuin oog moeten tolereren.
Ik vind dat pedofilie een geaardheid is.
Ik vind dat als er een pedofiel naast je komt wonen je een jaarlijks geldbedrag zou moeten krijgen ter compensatie.
Ik vind dat pedofilie deel is van de natuur en als zodanig gezien moet worden.
Ik vind dat we alle pedofielen beter samen op een stukje land kunnen laten wonen met een hek eromheen en er nooit meer over spreken.
Ik vind dat we allemaal eens met een pedofiel in gesprek zouden moeten gaan.
Ik vind dat pedofilie ook maar een vorm van liefde is.

 

(uit: MEN. de mening herzien)

 

Bij BOG. is het denken schrijven, en het schrijven is denken. Maar het zou verkeerd zijn de teksten van BOG. te beschouwen als streams-of-consciousness, want ze zijn juist extreem geëlaboreerd. Het feit dat ze tijdens de opvoeringen op het moment zelf lijken te ontstaan in de hoofden van de performers zegt vooral iets over het meesterschap van de spelers in de ‘oprechte speelstijl’, zoals BOG. het noemt.

 

Een wereldbeeld

 

Het valt op dat het werk van BOG. qua thematiek sterk aansluit bij dat van generatiegenoten als De Nwe Tijd of Hof van Eede – al willen we deze gezelschappen niet licht over één kam scheren. Globaal gezien kauwt deze generatie op een aantal gedeelde vraagstukken: de betekenis van het ‘ik’ in het grotere geheel, de keuzestress in een wereld van ongelimiteerde mogelijkheden, globalisering en digitalisering, het migratievraagstuk, de ecologische uitdagingen … Grootse problematieken, die in het geval van BOG. zelden expliciet in de tekst aan de oppervlakte komen, maar als het ware tussen de regels door om aandacht vragen. Niet de problematieken zelf, maar de zoektocht van de makers om met die complexiteit om te gaan vormt het eigenlijke onderwerp van de voorstellingen. Want er is wel degelijk opnieuw iets om mee om te gaan. Na de destructieve ironie van het postmodernisme lijkt er bij de generatie van BOG. een hernieuwde hoop en daadkracht te leven, zonder daar evenwel het politiek naïeve utopisme van de jaren 1960 en 1970 aan te verbinden. Ja, deze generatie wéét dat er geen grote alomvattende ideologieën meer zijn en dat de Grote Verhalen (uit één mond) ongeldig zijn, maar dat weerhoudt er haar niet van om telkens weer een poging te wagen om iets te formuleren. Die houding heeft de afgelopen jaren het label ‘metamodernisme’ gekregen.

 

Alfa en omega: de taal

 

Tenslotte is er één filosofisch vraagstuk dat de hele praktijk van BOG. doorvlecht, met de manier waarop de collectie werkt, de vorm en de inhoud van de teksten, en dat is het vraagstuk van de taal: haar mogelijkheden en onmogelijkheden, de manier waarop zij werelden schept en andere beperkt. De verhouding van BOG. tot de taal is die van het gevecht. De auteurs worstelen met de onbetrouwbaarheid van woorden, met het probleem van interpretatie (hun inspiratie halen ze bij Susan Sontag) en met de onontkoombaarheid van dat talige denken, zelfs wanneer zijzelf het liefst alleen maar zouden voelen. Het talige denken zet vast én bevrijdt, want de dingen zijn nu eenmaal paradoxaal, zoals BOG. meermaals moet erkennen.

 

Ooooo arme woorden

arme arme woorden

stukjes luchtverplaatsing

Ik geef ze nog één kans

Ik hou de woorden in mijn armen en leg ze thuis in de kast,

voor later, je weet maar nooit.

 

(uit: OER. Een poging – tekstfragment Judith de Joode)

 

Zelfs tot op micro-talig niveau strekt het verlangen naar houvast zich uit. De simpele drieletterwoorden zijn exemplarisch: ze zijn een poging om een enorme veelheid aan betekenissen te vatten in drie essentiële tekens. Tegelijkertijd klinken de korte, krachtige titels als een paukenslag, als een vuist op tafel, als een taaldaad. Zo bezien is elke voorstelling van BOG. een statement van een generatie die de enormiteit van zijn levensvragen erkent, maar er samen voor kiest om zich daardoor niet te laten verlammen.

 
DOWNLOAD TEKSTFRAGMENT UIT ‘BOG. EEN POGING HET LEVEN TE HERSTRUCTUREREN’
 

Contact: zaken en productie: anne@bogcollectie.com / publiciteit en pers: publiciteit@bogcollectie.com

Website: bogcollectie.com

Geschreven door Evelyne Coussens

Evelyne Coussens studeerde klassieke filologie aan de Universiteit Gent en theaterwetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Ze werkt bij publiq en is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende andere cultuurmedia (o.a. Ons Erfdeel, rekto:verso, Etcetera, Theatermaker). Ze is lid van de grote redactie van Etcetera en zetelde in verschillende jury’s. Coussens is ook gastdocent rond cultuurtheorie en kunstkritiek aan verschillende hogescholen en universiteiten.


BIBLIOGRAFIE

  • BOG. een poging het leven te herstructureren* (2013) (vertaald naar het Canadees-Frans door Centre des Auteurs Dramatiques en Engels door Emma Wierda en Benjamin Moen)
  • MEN.* de mening herzien (2014) (vertaald naar het Duits door Uwe Dethier)
  • GOD.* (2015)
  • OER. een oefening* (2016)
  • DAM.* Een oefening in niet-vergeten (2016) – tekst door Sanne Vanderbruggen
  • KID* (2017)
  • Iemand die slaapt (2018) – bewerking van ‘Een man die slaapt’ van Georges Perec (vert. Rokus Hofstede)

*uitgegeven bij De Nieuwe Toneelbibliotheek