Freek Vielen

Alexander Daems

Tien jaar schrijft Freek Vielen (°1985) intussen toneelteksten. Dat gaf zijn pen de tijd om al een zeker oeuvre te ontwikkelen, maar tegelijk blijft ze ook nog heel open voor nieuwe oefeningen. Eén zekerheid is er al: weinigen weten zo groots de mensheid te portretteren met zulke kleine schetsen van herkenbare mensen. Vielens sleutel? De poëtiek van de mozaïek.

 

Het gezicht naar de samenleving

 

Er blijft altijd iets problematisch aan het onderscheiden van generaties, maar Freek Vielen gaat door voor een vaandeldrager van de zijne. Niet dat hij daar zelf te koop mee zou lopen, daarvoor is hij veel te bedaard. Maar geboren halfweg de jaren 1980, behoort hij tot die schuif talentvolle makers die van de toneelschool afkwam in de jaren dat de Nederlandse cultuursector zich genoodzaakt zag tot een ‘Mars der Beschaving’ op Den Haag, terwijl ook de eerste besparingen in Vlaanderen gepaard gingen met zeurderige publieke debatten over het draagvlak van de kunsten in de samenleving. De artistieke wereld stond met zijn rug naar de samenleving, heette het. Kunst, linkse hobby. De tijd van de absolute autonomie, toen elke strikt individuele inspiratie nog legitiem bevonden werd, leek – als die tijd ooit al bestaan heeft – voorgoed voorbij.

Een groot verlies heeft Vielens generatie dat nooit gevonden. Voor hen was inspiratie vanuit de rest van de samenleving, niet zelden met de camera of via interviews met experts, bijna een tweede natuur. Dat Vielen als Nederlander zelf gevormd werd in de afdeling Woordkunst van het conservatorium in Antwerpen, zal daar ook wel niet vreemd aan zijn geweest. Documentaire behoorde tot zijn basispakket, zijn eerste interesse op en na school ging uit naar radio. Wellicht niet toevallig is het wereldnieuws ook in zijn stukken nooit veraf.

Ergens in zijn eerste toneeltekst, de monoloog Begin – verder in het noordoosten lichte bewolking (2010), tekent Vielen de biografie van zijn generatie tegen de achtergrond van de mondiale highlights:

 

Vier toen de Muur viel, vijf toen Nelson Mandela werd vrijgelaten en Irak met het Amerikaanse gifgas Koeweit binnenviel, zes als Berlijn hoofdstad van Duitsland wordt, de Sovjetunie uiteenvalt,de rassenrellen Amerika in vlam zetten, zeven als de grenzen van Europa open gaan (…) vijftien toen een millennium zich zonder millenniumbug sloot, zestien toen twee vliegtuigen zich in de Twin Towers boorden, zeventien toen Pim Fortuyn bestond, Nederland gek maakte en een gek Fortuyn afmaakte, de euro kwam, achttien toen de tweede Golfoorlog begon en de nieuwe ziekte SARS ontstond, negentien als Bush wordt herkozen, Van Gogh vermoord, een tsunami 300.000 mensen in Zuid-Oost-Azië vermoordt.’

 

Wat vermag theater tegenover zoveel wereldnieuws, terwijl de publieke opinie steeds meer lijkt te polariseren? Een onmogelijke vraag, natuurlijk. Bij veel theatermakers zou je een zucht als antwoord krijgen. Maar Vielen – en met hem menig generatiegenoot – ziet het als zijn verantwoordelijkheid om zich die vraag toch aan te trekken. Zo leert althans het open begin van Begin, rechtstreeks gericht aan het publiek:

 

jullie lezen misschien wel eens

in de krant bijvoorbeeld of op internet wellicht

dat het doel van theater zou zijn om alles te vergeten

de wereld buiten helemaal te vergeten

even helemaal weg

 

ons is dat als publiek nog nooit gelukt, wij kunnen dat niet

wij blijven altijd bezig met wat we die dag hebben gedaan

wat we morgen nog moeten doen

wat we straks in de foyer tegen wie zullen zeggen:

‘er zaten mooie dingen in’

‘we vonden niet alles goed’

‘het duurde even voor hij ons te pakken had’

‘maar toen had ie ons ook’

maar dan in een dusdanige bewoording dat niet alleen onze smaak

onze exclusieve smaak, maar ook de rechtvaardiging van die smaak

direct met een ernst onderstrepende knipoog geëtaleerd zou worden

kortom, wij kunnen in het theater de wereld buiten niet afsluiten

 

daarom willen wij u geruststellen

 

misschien vindt u het wel prettig om te weten

dat terwijl u de wereld probeert te vergeten

wij constant in contact zullen staan met de buitenwereld

voor uw eigen veiligheid

via satelliet, radio, oortjes, tv, internet, ipad, iphones

zullen wij voortdurend weten wat er aan de hand is

in Bagdad, New York, Brussel, Nairobi

en zullen daar, indien nodig, natuurlijk live op inspringen

achtergronden duiden, commentaar leveren,

deskundigen uitnodigen, bellen met correspondenten

iets met grafiekjes

allemaal live natuurlijk

en daarna zullen we het

een beetje

ridiculiseren, bagatelliseren, relativeren

misschien iets met typetjes of gedichtjes

en tenslotte zullen wij u, vlak voor u de zaal weer verlaat, waarschuwen

maar wel zo dat u met een gerust hart naar huis kunt gaan

kortom, wij bieden dat stukje basis entertainment dat u bij een ramp mag verwachten

 

een extra stukje service dat wij u bieden

je moet wat, als beginnend en concurrerend theatermaker

 

Het is een zeldzaam moment van ironie in Vielens oeuvre, zeker wanneer hij het publiek verder verzekert ‘dat niemand het u kwalijk neemt dat u, als u een auto in de fik ziet gaanin een voorstad, aan uw autoverzekering denkt en niet aan de klassenstrijd’. Even opzichtig als heerlijk dubbelzinnig agendeert Vielen in één en dezelfde beweging de individuele én collectieve ontkenningsdrang van zowel de theaterwereld als zijn burgerlijk publiek, maar wel op zo’n manier dat er – ondanks alles – toch begrip in doorschemert. Publikumsbeschimpfung is aan Vielen niet besteed, wel integendeel. Steevast zal de zaal in zijn teksten warm onthaald worden. Niet de rug, maar het open aangezicht gaat naar de samenleving.

 

Van spiegel naar venster

 

Wat de schrijver dan deelt, zijn in de eerste plaats z’n eigen twijfels in die moeilijke evenwichtsoefening tussen de schreeuw van de wereld en de zoete zalving van het theater. Wat hij schrijft, is toneelkunst die zijn politieke werking zoekt door van zichzelf te vertrekken, de grote vragen van mens en wereld hanteerbaar en authentiek te maken door ze in de eerste plaats op zichzelf toe te passen, en het liefst op dagelijkse maat.

Zo eindigt ook die openingsrede van Begin, een caleidoscopische schets van een liefdesrelatie tegen de achtergrond van een wereld in brand: met de bekentenis van ‘een jongen die een uur gaat vertellen dat hij het ook niet weet, en misschien wel iets over de liefde’. Geen goedkope zelfrelativering, wel een poging om de zaal in een gelijkwaardige staat van ontvankelijkheid te krijgen, voorbij alle ideologische verschansingen. In de wereld die Vielen wil blootleggen, zijn we – vóór ons politieke burgerschap – eerst en vooral gewoon mensen. Hijzelf voorop. Als wederhelft, als theatermaker, als iemand die graag in gesprek gaat: steeds is hij van zijn stukken ook mee een protagonist, zonder ooit aan zelfzucht te doen.

Tegelijk gaat het in zijn werk ook altijd weer de andere kant op: van het particuliere individu naar onze gedeelde gemeenschap. Dat gebeurt onder meer in Heimat 3 – How to Build A Home (2018), dat Vielen samen schreef met het gezelschap De Nwe Tijd (waarvan hij samen met Rebekka de Wit en Suzanne Grotenhuis de artistieke leiding vormt). Dat stuk behandelt het thema ‘eenzaamheid’ niet enkel als een individuele of existentiële kwestie, maar ook als een maatschappelijk vraagstuk. Het stuk gaat de wortels ervan zoeken bij de eerste Wereldtentoonstelling in The Crystal Palace in Londen in 1851: ‘Als je heel goed luisterde, kon je daar, als zacht sirenegezang, voor het eerst twee nieuwe vragen horen zoemen: wie ben ik, wat wil ik?’ Eenzaamheid wordt verklaard vanuit de illusie van de selfmade man, die alles kan kopen om zichzelf te onderscheiden. Het ‘ik’ is in het uitstalraam van onze mondiale winkel reclameboodschap nummer één geworden.

Nieuw is die analyse natuurlijk niet, maar wat Vielen en co ermee plegen te doen, is anders dan vele toneelauteurs die hen voorgingen. Ze behoren tot een generatie die zich niet louter tevredenstelt met de duistere detectie van wat er menselijk of maatschappelijk fout loopt, maar die ook een perspectief wil bieden – hoe weinig pretentie Vielen zelf daarover ook heeft.

Zowel in Begin als in Heimat 3 gebeurt dat in de vorm van een afsluitende brief – in Heimat 3 gericht aan James Wood, een Britse gamer die online zijn eenzaamheid uitschreeuwde in een kattebelletje onder het liedje ‘How to build a home’ op Youtube. Mensen die ver voor 1985 geboren zijn, zullen het antwoord in het stuk – niet het waarom van het bestaan telt, maar het hoe – misschien moralisme noemen, of een misplaatste levensles op de vrije scène. In werkelijkheid wordt er troost beoogd. Vielen en De Nwe Tijd lijken onze kapot geanalyseerde samenleving weer een dak te willen bieden, een huis. Of gewoon een venster, al naargelang. Want als het theater zijn publiek enkel in het donker kan achterlaten, waarom het dan maken?

 

Mensenliefde in multiperspectief

 

Hoe Vielen in die poging tot levensverzoening elke meligheid weet te vermijden, is vóór alles een kwestie van vorm, structuur en compositie. Zijn stukken bestaan meer uit losse hoofdstukjes dan uit scènes, en die hoofdstukjes zijn vaak ook zelf weer samengesteld uit korte losse schetsen, observaties, bijgedachten. Eén strakke narratieve lijn is er nooit, eerder een composiet van herkenbare dialoogjes, dan weer een cultuurhistorische uitweiding, een korte poëtische beschrijving, een krantenartikel, een banale opsomming, of toch even een aanzet tot een verhaal. De mens: een bestaan in multiperspectief. Wat Vielen wil vertellen, bloeit op van tussen de spleten van die tekstblokjes, om er dan steeds grijpbaarder boven te gaan zweven.

Op het randje van pure abstractie is dat procedé vervolmaakt in Dracula, een stuk geschreven voor De Tijd in 2014, en onderscheiden met de Taalunie Toneelschrijfprijs voor beste tekst van dat jaar in de Lage Landen. De titel is misleidend: het stuk gaat veeleer om het zich uitgezogen voelen dan om ‘s werelds meest vermaarde vampier. Tussen een openende mop, enkele monologische dialogen tussen een vader (met een burn-out?) en zijn dochter (met anorexia?), een drietal bijbelfragmenten, een kookrecept, een stukje Romeo en Julia by night, iets encyclopedisch over de merel, twee dromen bij de dokter, een stukje biologie over het ontstaan van de wereld, een reeks voorbeden voor treurige mensen, … wolkt de loutering op van een onvolmaakt bestaan. Waar het over gaat? ‘Het gaat over…’: zo eindigt Dracula. In het volle ongewisse. In de povere zekerheid dat er nauwelijks zekerheden zijn.

 

dit zijn de mensen die ik zag:

 

een vrouw van 70
 die, omdat het dinsdag is,

weer naar een begrafenis gaat van iemand die ze niet kent

ze draagt een bontjasen veel make-up

 

een meisje van 25 die vol onzichtbare blauwe plekken zit

die ‘au’ zegt als je haar per ongeluk aanraakt

bij wie alles de druppel is die haar laat overstromen

omdat ze vol zit, sinds ze negen was geen vrienden had

 

laten wij huilen voor haar

 

een vrouw van 30 die in haar hoofd voortdurendhaar eigen naam hoort

als scheldwoord, als verwijt

als ze bijvoorbeeld iets laat vallen en per ongeluk zichtbaar wordt

wat niet de bedoeling was, wat nooit de bedoeling was

waardoor ze voortdurend zichtbaar is
 en ze voortdurend haar eigen naam hoort

als scheldwoord als verwijt

 

laten wij huilen voor haar

 

een vrouw kijkt enkel tv als ze in de fitnessruimte op de hometrainer zit

zodat ze weet waarheen ze waarom fietst

huil voor haar

een man in pak staat bij de bushalte en schreeuwt

huil voor hem

een buschauffeur zegt: ga je normaal doen of blijf je buiten

huil voor hem

een man vraagt aan de dokterhoe gaat het

omdat hij die vraag graag zelf wil krijgen

huil voor hem

 

dit zijn de dingen die ik hoorde:

 

de stilte van een kinderkamer zonder leven

de stilte van een durum zaak vol tl-licht zonder klanten

gekocht met geldgeleend uit Marokko

door een man van veertigmet een buikje

als laatste kans als strohalm om aan te grijpen

de stilte van een bergdal zonder krekelszonder mensenzonder licht

waar een man sliepmet vijf boeken en een rugzak

omdat hij dacht dat hij weg wou zijn

huil voor hen

 

dit zijn de mensen over wie ik las:

 

een vrouw in de krant die zegt: de vraag ‘ben ik wel gelukkig’

is het perpetuum mobilehet eeuwig aandrijfwiel

van het ongeluk

huil voor haar

een man in de krant die zegt:
 mijn mooiste vakantiewas een week in lapland

het vroor er 38 graden en om vier uur viel de duisternis

ik ging niet sneeuwscooteren,ik maakte niets mee

maar genoot van de soorten wit en van de leegte

huil voor hem

een man in de krant die zegt: ik zou graagnog eens moe zijn van fysieke arbeid

dat mijn lichaamnog eens vermoeider is dan mijn hoofd

huil voor hem

 

Ingewikkelde zinnen zijn het niet die Vielen schrijft. Barokke beelden of gedachten evenmin. Hij schept er juist een eer in om zijn mensportretten stilistisch zo vatbaar mogelijk te maken, bijna op het naïeve af. ‘Een man’, ‘een moeder’, ‘een jongen en een meisje’: zijn personages zijn tegelijk volstrekt uniek in hun concrete anekdotiek, én sjablonen voor elk mens door hun anonimiteit. Ze kristalliseren een mensbeeld waarin het kwade niet bestaat, en alleen met alle macht – maar vaak vergeefs – het goede wordt betracht. Er is geen wij en zij, zelfs nooit echt een antagonist, nochtans zo wezenlijk voor dramatiek. Vielens mensbeeld bouwt op begrip. Het is mensenliefde gematerialiseerd in woorden. Er is nog zoveel mogelijk in de wereld, in de geschiedenis, in de toekomst – zo lijken zijn toneelteksten tussen de lijnen te fluisteren.

 

Niet de bodem, maar de horizon

 

Zelfs de twee weinig montere romans die Vielen omzette naar toneel, Slaughterhouse 5 van Kurt Vonnegut en Niets van Janne Teller, krijgen onder zijn handen iets hoopvols. In de monoloog So it goes (2015) verweeft hij zijn hervertelling van het vreselijke bombardement van Dresden – een poging om het fenomeen oorlog te begrijpen – met eigen gesprekken met zijn dramaturge (en ex-geliefde), om uit te komen bij een reflectie over tijd en aanvaarding. Van Niets herschrijft hij de duistere zoektocht naar betekenis tot een pleidooi voor de kleine wonderen van het menselijke bestaan. Opnieuw: theater schrijven als een venster openwerken in de muur waar de hele menselijke geschiedenis steeds weer tegenaan loopt.

Al lezen deze romanbewerkingen door hun identificeerbare personages en hun grotere verhaalkracht heel anders dan Vielens eigen toneelteksten, toch heeft hij die oorspronkelijke werken uiteindelijk meer naar zijn hand gezet dan omgekeerd. Wat hem erin aantrok, was hun duistere existentiële kant, hun grote filosofische vragen ook. Hoe hij ze uiteindelijk doorgeeft, is met een lichte zweem van ochtendgloren. Want al zijn de dingen zoals ze zijn, ze hoeven niet zo te zijn. Van het punt dat er veelal achter gezet is, maakt Vielen graag weer een beletselteken: drie puntjes als een reeks stapstenen naar een andere uitkomst. Of toch minstens naar een beter begrip van wat ons op elkaar doet gelijken – in plaats van verschillen.

Zo getuigt het verteltheater van Freek Vielen in zijn diepste fundamenten van een stille droom: dat de Titanic toch aankomt. Zijn jongste stuk, De aankomst van de Titanic (2018), zou je dan ook kunnen lezen als de korte samenvatting van zijn hele oeuvre tot nog toe: een poging om het zinkende schip – hier het cruiseschip Costa Concordia dat in 2012 tegen de rotsen liep voor de Italiaanse kust, met 32 doden – weer vlot te trekken of toch minstens drijvende te houden. Zijn oeuvre is ook zelf nog onderweg: als een ark vol verhalen en eenzame verlangens op de golven van een deinende samenleving, waarvan de poëtische details allemaal één groot geloof weerspiegelen in de zin van samen opvaren, omdat we nu eenmaal in hetzelfde schuitje zitten. Bestemming: niet de bodem, maar de horizon.

 
DOWNLOAD TEKSTFRAGMENT UIT ‘DE AANKOMST VAN DE TITANIC’
 

Contact: freek@denwetijd.be

Geschreven door Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is een Belgisch cultuurjournalist. Hij schreef 15 jaar als freelance theatercriticus voor De Morgen en De Standaard. In 2003 richtte hij mee het gratis cultuurmagazine rekto:verso op over kunst en maatschappij, waar hij nog steeds nog een van de coördinators is.  ZIjn onderwerpen zijn voornamelijk theater, cultuurbeleid en sociaal-artistieke projecten. Sinds 2014 is hij een van de trekkers van de Vlaamse burgerbeweging Hart boven Hard.


BIBLIOGRAFIE

  • Held met sjaal (2007)
  • Begin – verder in het noordoosten lichte bewolking (2008) – uitgegeven bij Theaterboek
  • Stel je voor ik zoek een staat (2011) – in samenwerking met Rebekka de Wit en Maarten Ketels
  • Liever niet (2012)
  • Heimat 1 (2013) – in samenwerking met Rebekka de Wit, Tom Struf, Harald Austbo en Suzanne Grotenhuis (vertaald naar het Engels)
  • Dracula (2014) – uitgegeven bij De Nieuwe Toneelbibliotheek
  • Pindakaasprins (2015)
  • So it goes (2015) – vrije bewerking van ‘Slaughterhouse 5’ van Kurt Vonnegut
  • Heimat 2 (2016) – in samenwerking met Rebekka de Wit, Tim David, Harald Austbo en Suzanne Grotenhuis
  • Niets (2017) – vrije bewerking van ‘Niets’ van Janne Teller
  • De aankomst van de Titanic (2017) – uitgegeven bij Wintertuin
  • Heimat 3 (2018) – in samenwerking met Rebekka de Wit, Tim David, Harald Austbo, Suzanne Grotenhuis en Matthias Van den brul
  • Doe de groeten aan de ganzen (2019)