Jan Decorte

Sigrid Vinks

Jan Decorte (°1950) is een van de markantste Vlaamse theatermakers van de voorbije decennia. Zijn invloed op de vernieuwingsbeweging in het Vlaamse theater tijdens de jaren tachtig is cruciaal geweest en werkt tot op vandaag door. De Vlaamse Gemeenschap lauwerde hem daarvoor met de Vlaamse Prijs voor Algemene Culturele Verdienste 2018. Tegelijkertijd is hij een artistieke einzelgänger die altijd zijn eigen en eigenzinnige weg is gegaan. Decorte is de schrijver, acteur en regisseur van zijn eigen voorstellingen. Zijn carrière, die inmiddels vijftig jaar omvat, is een compromisloze zoektocht naar de essentie van wat theater, tekst en acteren is. ‘Carrière’ is wellicht het foute woord omdat werk en leven bij Decorte onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. De grote crises, depressies en kwellingen in zijn leven vertalen zich in zijn teksten en voorstellingen. Zijn levenspartner Sigrid Vinks is ook zijn nauwste artistieke medewerkster en sinds 1984 heeft zij in al zijn voorstellingen gespeeld.

 

Tragedie en archaïsch geweld

 

Weinig theatermakers hebben zich zo vaak en zo radicaal vernieuwd als Decorte. Nog voor hij afstudeerde aan de regieopleiding in Brussel schreef hij enkele barokke en lyrische drama’s met mythische en gewelddadige fabels die de invloed doen vermoeden van Artaud en vooral Jerzy Grotowski, wiens rituele en lichamelijke theater Decorte in die jaren ontdekte. Zo behandelt Kosmika (1969) de oer-spanning tussen goed en kwaad in drie verhalen gebaseerd op respectievelijk de Edda’s (godenliederen uit Noord-Europa), de koningsmoordenaar Macbeth en de perverse kinderverkrachter Gilles de Rais. Macbeth is een rode draad in het werk van Decorte. Naar eigen zeggen ontvlamde zijn passie voor het theater toen hij de tragedie door zijn moeder in handen geduwd kreeg. Shakespeares stuk en de mogelijkheid van het tragische zijn ook het onderwerp van zijn eindscriptie voor de regieopleiding. Het Jungiaanse archetype speelt daarin een belangrijke rol. Nog tweemaal duikt Macbeth expliciet op: in 1987 met Macbeth Party en in 1994 met Bloetwollefduivel, twee sleutelmomenten in zijn ontwikkeling. Ook Shakespeares King Lear, Titus Andronicus en Hamlet duiken meer dan eens op in Decortes oeuvre. Het tragische bewustzijn van het menselijke bestaan is de kern van zijn theaterwerk, al zou het een tijd duren voordat hij er de meest pregnante uitdrukking voor vond.

Tijdens de jaren zeventig geeft Decorte les aan de regieopleiding en vormt een generatie van theatermakers die in de jaren tachtig zullen doorbreken. In zijn teksten gebruikt hij een ogenschijnlijk realistisch idioom dat dicht bij de spreektaal ligt, maar dat nog steeds een lyrisch-rituele onderstroom heeft. Achter het anekdotische verhaal gaat een archetypische fabel schuil: bij Jongens (1973) is dat het christelijke passieverhaal en bij Landschap – Lear (1975) naar King Lear van Shakespeare, twee fabels over geweld, lijden, dood en ondergang. Deze teksten staan ver van het politiek engagement dat in de jaren zeventig de dynamiek van het Vlaamse theater bepaalt. Het gaat Decorte niet om een analyse van maatschappelijke wantoestanden of om de klassenstrijd, maar om een afdaling in de duistere krochten van de ziel. Beelden van lijden, bloed, ophanging, kruisiging, geweld en offer zal Decorte in zijn teksten en zijn theater blijven exploreren om de afgronden van de menselijke existentie te peilen.

 

Brokstukken van het repertoire

 

In de tweede helft van de jaren zeventig laat Decorte de pen een tijdlang rusten en wendt zijn blik naar het klassieke repertoire. De invloed van het Duitse theater is duidelijk voelbaar. De mythische dimensie van Artaud en Grotowski wordt vervangen door het materialisme en pessimisme van het Duitse regietheater. Decorte ondermijnt de traditionele theatercodes: hij laat zijn acteurs met opzet nadrukkelijk spreken en ‘amateuristisch’ spelen als om iedere emotionele identificatie van het publiek met het verhaal te saboteren. Het is een ontwrichtende afrekening met de conventies van een burgerlijk theater en de zekerheden van een burgerlijke ideologie. Decortes radicale omgang met teksten toont zich in zijn eigenzinnige vertalingen van repertoirestukken als Maria Magdalena (1981, Hebbel), Torquato Tasso (1982, Goethe) en King Lear (1983, Shakespeare). Die vertalingen wijzen op een grote gevoeligheid voor de plasticiteit en de concreetheid van de taal. In zijn vertalingen behoudt Decorte vaak de syntaxis en woordvolgorde van de originele taal: hypercorrect, maar juist daardoor ongrammaticaal en vervreemdend. Het is ook de tijd dat Decorte het werk van de zojuist vermelde Oost-Duitse auteur Heiner Müller ontdekt en waarvan hij in 1981 Mauser/De Hamletmachine en in 1983 Der Auftrag ensceneert. Müllers omgang met teksten is cruciaal voor Decorte. Hij breekt de traditionele theatertekst open naar een visionaire montage van lyrische, epische en dramatische elementen, vol brokstukken politieke geschiedenis en actualiteit.

Even radicaal als onverwacht breekt Decorte met zijn minutieuze ensceneringen van het repertoire en begint aan wat hij zijn ‘poëtisch actionele fase’ noemt met Scènes/Sprookjes (1983), Mythologies (1984), en Anatomie (1984). Decorte staat nu zelf mee op het toneel. Een dramaturgie gebaseerd op de hypercorrecte vertaling van het repertoire en een haast anti-theatrale enscenering maakt plaats voor een dramaturgie gebaseerd op tekstcollages en kinderspelletjes. Het is een consequente stap: de talige architectuur – waarvan de vermolmdheid al zichtbaar werd in de minutieuze vertalingen van het repertoire – stort nu volledig in elkaar. Er blijven van het repertoire enkel brokstukken over waarmee naar keuze kan worden gespeeld en gemonteerd. Hier begint zijn belangstelling voor de komedie – Kleur is alles (1985) – en voor het vereenvoudigd herschrijven van klassiekers: In het kasteel (1985) naar Hamlet en Op een avond in… (1986) naar Hedda Gabler zijn de eerste stukken in die richting.

Decortes afbouw van het klassieke theater en de klassieke tekst bereikt een eindpunt met Macbeth Party (1987). De tekst is gereduceerd tot enkele A4-tjes die tegen de muur hangen. Begin en einde van de voorstelling, in een groot herenhuis, zijn compleet onduidelijk, er wordt door de acteurs met gouden kroontjes en houten zwaarden wat heen en weer gelopen, en alles loopt uit op een feestje voor de intimi. Veel minder kan niet meer en dat beseft ook Decorte. Hij begint opnieuw teksten te schrijven, wat resulteert in zijn zogenaamde Aids-trilogie Het Stuk Stuk (1987), In Ondertussendoor (1987) en Naar Vulvania (1989) –: komedies over de avonturen van de Existentiële Prins – Decorte zelf –, een overjaarse versie van De Kleine Prins van de Saint-Exupéry, vol slapstick, flauwe grappen, woordspelingen, meta-theater, kunstfilosofische uitspraken, gefantaseer over seks, ongemakkelijk luchtige discussies over aids, zelfmoord, etc. Het is een belangrijke stap in de ontwikkeling van Decortes latere bewust naïeve, minimale schriftuur. In tegenstelling tot het vroege werk dat bijna gemaakt werd tegen het publiek, gaat Decorte nu op zoek naar een meer genereuze communicatie met de toeschouwer. Hij verschijnt zelfs op televisie als vaste gast in een spelletjesprogramma en zetelt een aantal jaren in het parlement als volksvertegenwoordiger voor de partij R.O.S.S.E.M., een Belgische libertaire politieke partij die ook het anarchisme aanhing, opgericht in 1993 door Jean-Pierre Van Rossem en ontbonden in 2014.

 

Kindlijke taal

 

Met In het moeras (1990) en Meneer de zot en het kind (1991) – herschrijvingen van respectievelijk Woyzecken King Lear – voltooit Decorte de contouren van zijn ‘kindlijke’ schriftuur. Wat ‘kindlijk’ is, kan nog het best worden samengevat met de eenvoudige formule: “kindlijk = kinderlijk – (seksuele) onschuld”. ‘Kindlijk’ kan met andere woorden alleen de geschonden volwassene zijn. Voor Meneer de zot en het kind krijgt Decorte de Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs 1990. Decorte legt zich van dan af bijna uitsluitend toe op het ‘verdichten’ van grote tragedies in alle betekenissen van het woord: het inkorten van de tekst, het beperken van de personages, het uitbenen van de plot tot de essentie van de fabel en het hertalen in het poëtische, minimalistische, ‘kindlijke’ idioom dat Decortes waarmerk is geworden. Door die ingrepen zijn de teksten niet langer bewerkingen maar nieuwe autonome stukken. Weinigen nemen het repertoire zo ernstig als Decorte: hij baseert zich op Macbeth, Oedipus, Im Dickicht der Städte, IvanovThe Tempest, Oresteia, Much Ado About Nothing, Die Rauber, Othello …Op het kruispunt van het archetypische, het tragische en het kindlijke ensceneert Decorte de oerconflicten – de strijd tussen de mens en zijn lot, tussen man en vrouw, tussen de rede en de roes, tussen wraak en recht, tussen rebellie en gezag, tussen schuld en onschuld, tussen kwelling en verlangen naar verlossing, tussen verderf en zuiverheid – in een bewust naïeve en ogenschijnlijk simplistische taal en een minimalistische vormgeving.

 

Hellevaart en verrijzenis

 

Hoofdletters en leestekens – twee organisatieprincipes die de taalstroom ordenen en leesbaar maken – laat Decorte in de gepubliceerde teksten weg. Het schrijven lijkt te komen uit een diepe libidinale laag. De fonetisch geschreven woorden worden opnieuw verbonden met het lichaam, met de adem, de drift, het libido. De fonetische schriftuur – en dus het loslaten van de officiële spelling –, het sterker worden van het Vlaamse idioom en het steeds slanker worden van de tekstkolommen, kenmerken de verdere ontwikkeling van zijn teksten. De tekstkolom staat vaak in het midden van de pagina, omgeven door steeds meer witruimte. Ze wordt op een bepaalde manier steeds eenzamer, steeds ijler.

Decorte omschrijft zijn existentiële aanvoelen het scherpst met de religieuze titel die hij geeft aan het laatste bedrijf van Bloetwollefduivel: Descente aux enfers et résurrection – von Satan mich befreiet Jesu. Hij schreef de tekst op het moment van een diepe crisis. De mens, ergens verloren gelopen tussen engel en beest, is een speelbal van de krachten van goed en kwaad, van verlossing en verdoemenis, overgeleverd aan drift en geweld, schuld en schaamte. In zijn visionaire en associatieve tekst uit 2005, die zowel aan slam poetry als aan Heiner Müller doet denken, wordt het archetypische lijden van Christus op Golgotha over de grenzen van tijd en ruimte heen verbonden met de slagvelden van Napoleon, het kapotgeschoten Irak, de terreur van de Taliban, het lot van Palestijnen en de dood van de vluchtelinge Samira Adamu bij haar gedwongen terugkeer naar Afrika.

Decortes theater is een lange en pijnlijke zoektocht, vol breuken en obstakels – een hellevaart en een verrijzenis – naar een eigentijdse en persoonlijke tragische expressie die de schrijver uiteindelijk in zijn ‘kindlijke’ schriftuur vindt: een gewild naïef, minimaal, Vlaams, lyrisch en muzikaal idioom waarmee hij in de afgronden van het menszijn kijkt.

 
DOWNLOAD TEKSTFRAGMENT UIT ‘BÊT NOIR’
 

Contact: info@bloet.be / +32477394417

Website: www.bloet.be

Geschreven door Erwin Jans

Erwin Jans werkt momenteel als dramaturg bij Toneelhuis in Antwerpen. Hij geeft les over theater en drama aan de Artesis Hogeschool Antwerpen, waar hij ook onderzoek doet naar de geschiedenis van de dramaturgische tekst. Hij schrijft geregeld over literatuur, theater en cultuur. Hij publiceerde o.a. Interculturele intoxicaties. Over kunst, cultuur en verschil (2006) en was co-redacteur van Hotel New Flandres (2008), een bloemlezing van naoorlogse Vlaamse poëzie. Samen met Eric Clemens schreef hij het essay Democratie onder vragen (2010), dat ook in het Frans verscheen. in 2017 publiceerde hij een anthologie van het theaterwerk door de Vlaamse toneelschrijver en regisseur Tone Brulin.  


BIBLIOGRAFIE

  • De beer die sterft (1968)
  • Kosmika (1969)
  • De bende van Jan de Lichte (1970) – in samenwerking met Jan Devos
  • Het Spel van de Spaanse Monnik Ambrosio (1971)
  • Jongens (1973)
  • Landschap – Lear (1975)
  • Vrouwen (1976)
  • In een modern appartement, het is avond (1978)
  • In het kasteel (1985) – naar ‘Hamlet’
  • Kleur is alles (1985)  – uitgegeven bij Bebuquin in ‘Oeuvres’
  • Het Stuk-Stuk (1986)  – uitgegeven bij Bebuquin in ‘Oeuvres’
  • In Ondertussendoor (1987)  – uitgegeven bij Bebuquin in ‘Oeuvres’
  • Naar Vulvania (1989)  – uitgegeven bij Bebuquin in ‘Oeuvres’
  • In het moeras (1990)  – uitgegeven bij Bebuquin in ‘Oeuvres’
  • Meneer,de zot & tkint (1991) (vertaald naar het Frans) – uitgegeven bij Bebuquin in ‘Oeuvres’
  • Titus Andonderonikustmijnklote (1993)  – uitgegeven bij Bebuquin in ‘Oeuvres’
  • Bloetwollefduivel (1994)
  • Bêt Noir (1999) (vertaald naar het Duits, Engels door Jan Decorte, Frans en Zweeds)
  • Marieslijk (2000)
  • Sasja danse (2000)
  • Amlett (2001) (vertaald naar het Duits)
  • “Betonliebe + Fleischkrieg” Medeia (2001)
  • Cirque Danton (2002)
  • Cannibali! (2003)
  • O Death (2004) (vertaald naar het Duits)
  • dieu& les esprits vivants (2005)
  • & en burgaudine (2005)
  • Wintervögelchen (2008)
  • Bakchai (2009)
  • Niks of niks (2012)
  • Schiller/Tasten (2012) – uitgegeven bij Bebuquin
  • Shylock (2013) – uitgegeven bij Bebuquin
  • Geboeid/Prometheus (2015) – uitgegeven bij Bebuquin
  • Ne Swarte (2016) – uitgegeven bij Bebuquin

 

Vertalingen:

  • De recordpianist (1976) – bewerking van ‘Der Dauerklavierspieler’ van Horst Laube
  • Lieve Hemel! (1997) – vertaling van ‘Mensch Meier’ van Franz Xaver Kroetz
  • Peer Gynt (1979) – bewerking van ‘Peer Gynt’ van Hendrik Ibsen
  • In het Kreupelhout (1980) – vertaling/bewerking van ‘Im Dickicht der Städte’ van Bertold Brecht
  • Maria Magdalena (1981) – vertaling van ‘Maria Magdalena’ van Friedrich Hebbel met Sigrid Vinks
  • Mauser (1981) – vertaling van ‘Mauser’ van Heiner Müller met Sigrid Vinks
  • De Hamletmachine (1981) – vertaling van ‘Die Hamletmaschine’ van Heiner Müller met Sigrid Vinks
  • Herakles 2 of de Hydra (1981) – vertaling van ‘Herakles 2 oder die Hydra’ van Heiner Müller
  • Torquato Tasso (1982) – vertaling van ‘Torquato Tasso’ van Goethe met Sigrid Vinks
  • De opdracht (1983) – vertaling van ‘Der Auftrag’ van Heiner Müller met Sigrid Vinks
  • Hartstuk (1983) – vertaling van ‘Herzstück’ van Heiner Müller
  • King Lear (1983) – vertaling van ‘King Lear’ van Shakespeare
  • Verkommenes Ufer – Medeamaterial – Landschaft mit Argonauten (1983) vertaling van ‘Verkommenes Ufer – Medeamateral – Landschaft mit Argonauten ‘ van Heiner Müller – met Sigrid Vinks