Peter Verhelst

Stephan Vanfleteren

Peter Verhelst (°1962) is dichter, romanschrijver en theatermaker. Tot het theater kwam hij relatief laat in zijn carrière. Zijn eerste toneelstuk Maria Salomé (Baconstudie/Kahloterreur), verscheen in 1997 en in 2002 deed hij met Het Sprookjesbordeel zijn eerste regieVanaf dan zijn theater en het schrijven voor theater een steeds grotere rol gaan spelen in zijn werk. Sinds 2006 is hij als regisseur verbonden aan NTGent, waar hij een aantal van zijn teksten zelf ensceneert (Lex, 2009,  Julius Caesar, 2010, Nero, 2011, Africa, 2013, Hotel Malaria, 2015, Liefde, 2016). Hij werkt samen met choreograaf Wim Vandekeybus (Scratching the inner fields, 2001, Blush, 2002, Sonic Boom, 2002, Nieuwzwart, 2009), theatermaker en muzikant Paul Koek (Medea, 2011, Moby Dick, 2013, Arthur, 2014) en multimediakunstenaar Eric Joris (Philoctetes Fortify My Arms, 2003, CRASH, 2004, Terra Nova, 2011). Daarnaast schrijft hij ook teksten voor repertoire-regisseurs als Ivo van Hove (Romeo en Julia (studie van een verdrinkend lichaam), 1998), Luk Perceval (AARS! (anatomische studie van de Oresteia), 2000) en Johan Simons (Edward II, Ed is dead forever yours, 2007).

 

Lichamelijke taal

 

Het uitgebreide oeuvre van Verhelst, dat inmiddels bestaat uit tientallen bundels, romans en theaterstukken, vertoont een grote interne samenhang. Het waaiert met iedere tekst verder uit, terwijl het tegelijkertijd telkens opnieuw variaties produceert op dezelfde archetypische spanningen: stilstand en beweging, woord en beeld, ratio en affect, zelf en ander, man en vrouw … Al die spanningen schrijven zich in op het lichaam. Het is geen toeval dat zijn fascinatie voor het theater de voorbije decennia alleen maar is toegenomen. Voor Verhelst wordt ‘theater’ een synoniem voor lichamelijke communicatie: “Theater speelt zich niet alleen af in de schouwburg, maar ook op pleinen, op straat, in de slaapkamer. Overal waar de ene mens de andere tegen het lijf loopt en dat ene lichaam op dat andere lichaam reageert en er dus communicatie ontstaat, mogelijkheden, misverstanden, een dans, geluk en verdriet,” noteert hij in 2018.

Verhelst heeft een heel eigen poëtische en lichamelijke taal in de Vlaamse toneelschrijfkunst geïntroduceerd. In zijn debuut Maria Salomé wordt het traditionele drama met zijn plot, personages en dialoog ontmanteld in een zintuiglijke, metaforische en meerduidige schriftuur. Over de teksten die hij schrijft, zegt Verhelst: “Het zijn geen theaterteksten pur sang omdat ik geloof dat de inhoud van een stuk ook kan ontstaan uit de taal zelf.” De dramatische actie wordt vervangen door een keten van associaties, al dan niet herkenbare citaten of clichés en fragmenten uit de westerse mythes en cultuurgeschiedenis. De personages zijn eerder ‘stemmen’ dan herkenbare figuren en de dialogen worden vaak verkapte monologen. Het universum dat Verhelst in Maria Salomé oproept is somber, vol geweld, lust en kwelling. Hij vermengt de Griekse mythe van het labyrint, de Minotaurus en Ariadne met de mythe van Prometheus en het verhaal van Maria Salomé, een vrouwelijke matador die later een man blijkt te zijn. Het mannelijke en het vrouwelijke, gender als spel en seksuele identiteit als constructie zijn belangrijke thema’s in het werk van Verhelst. Wat de verschillende verhalen en personages in Maria Salomé met elkaar verbindt is bloed, dat zowel staat voor geweld en destructie als voor passie en lust. De intrigerende ondertitel (Baconstudie/Kahloterreur) refereert naar de schilders Francis Bacon en Frida Kahlo. De vervloeiende, vaak in strakke kaders opgesloten en getormenteerde lichamen van Bacon hebben Verhelsts werk vanaf zijn poëziedebuut Obsidiaan (1987) bespookt, terwijl Kahlo zorgt voor een magisch-religieuze en kitscherige inspiratie, twee andere kwalificaties die van toepassing zijn op het werk van Verhelst.

 

Vloeibare grenzen

 

Verhelst is even gefascineerd door systemen en hun samenhang als door de onttakeling en destructie ervan. Veel van de figuren die in zijn teksten rondlopen, zijn bij uitstek systeembouwers die even zo vaak mislukken. De ultieme betekenis en het betekenisloze gaan zo in elkaar over. In zijn roman Het spierenalfabet (1995) verwoordt Verhelst het als volgt:

 

Ik wil zo veel beelden dat de betekenis verdwijnt als in een centrifuge. Een tollende vuurbol die wegspattende betekenissen genereert. Mogelijkheden. Een mogelijkheidsmachine wil ik zijn.’

 

Vloeibaarheid, metamorfose en transformatie vormen het hart van Verhelsts schrijven. Het zijn niet alleen belangrijke thema’s in zijn oeuvre, ze bepalen ook zijn denken over vormen en structuren. Verhelst zoekt de grenzen tussen de genres en tussen de media op en overschrijdt die in alle richtingen. Zijn samenwerkingen met plastische kunstenaars, choreografen, fotografen en muzikanten vloeien organisch voort uit deze poëtica. Ook binnen het eigen oeuvre houdt Verhelst de grenzen open en vloeibaar. Gedichten duiken op in zijn theatervoorstellingen en omgekeerd worden theaterteksten opgenomen in zijn poëziebundels, meestal onder een andere titel. In de bundel Alaska (2003) verschijnt de theatertekst Philoctetes: Fortify my arms in de reeks ‘…OBSTAT’ en wordt de theatertekst Utopia GmbH (2007) een onderdeel van de bundel Nieuwe sterrenbeelden (2008) in de reeks ‘Let’s get lost – ontwerp van een berg.’ In omgekeerde richting vormde Koor (2017), de door hemzelf samengestelde bloemlezing van zijn poëzie, de grondstof voor zijn gelijknamige voorstelling. Dit vergroot de coherentie van zijn werk, maar door het spiegeleffect van die verwijzingen ook het labyrintische effect ervan. Op alle niveaus gaan bij Verhelst samenhang en ontbinding samen: wat op het eerste zicht meer betekenis lijkt op te leveren, bouwt die betekenis uiteindelijk af tot in het betekenisloze.

Theater komt volgens Verhelst voort “uit een soort van innerlijke monoloog: het innerlijk dat een weg zoekt naar buiten.” Buitenwereld en binnenwereld spiegelen elkaar en lopen in elkaar over. Een van de uitgangspunten van Terra Nova, geïnspireerd op het verhaal van de tragische Zuidpoolreiziger Robert Falcon Scott, is de gelijkenis tussen de plattegrond van de Zuidpool en de morfologie van de hersenen. Het nieuw te ontdekken terrein ligt zowel in ons hoofd als in de buitenwereld. Geen toeval dat veel van de teksten van Verhelst bestaan uit monologen. In zijn Medea-bewerking zet Verhelst alleenspraken van Kreon, Glauke, Medea en Jason naast elkaar. Ook Moby Dick bewerkt hij op een soortgelijke manier tot vijf monologen. Verhelst schreef de monoloog Africa voor en met acteur Oscar Van Rompay. Niet over het echte Afrika, maar over het gedroomde continent, voorwerp van verlangen, begeerte en fantasie.

 

Woorden als injectienaalden

 

Voor Verhelst is theater bij uitstek een zintuiglijk en interdisciplinair medium. De plastische kunsten en de muziek zijn belangrijke inspiratiebronnen en modellen, zowel bij het schrijven als bij het ensceneren: “Muziek werkt direct en chemisch in op je lijf en op je verstand. Het is absoluut mijn droom om hetzelfde te kunnen verwezenlijken met taal, wat veel moeilijker is, omdat je via een omweg moet gaan. Taal begrijp je via een omweg door je hersenen, terwijl muziek in al je poriën lijkt binnen te dringen.” Het woord ‘studie’ dat in maar liefst vier ondertitels van zijn vroege stukken opduikt – Maria Salomé (Baconstudie/Kahloterreur), Romeo en Julia (studie van een verdrinkend lichaam), Red Rubber Balls (studie van een hangend lichaam) (1999), AARS! (anatomische studie van de Oresteia)– verwijst expliciet naar de schilderkunst. Dat directe en onmiddellijke zintuiglijke contact is de utopie van het theater van Verhelst.

In 1998 schreef hij Minuscule tongvormige droom over goddelijk theater, een pleidooi voor een andersoortig theater. Voor een andere relatie tussen toeschouwer en acteur, voor meer verbeelding en minder waarheid, meer naaktheid en minder truken. Voor woorden ‘die hun oorsprong niet vinden in de geest, maar in het lichaam zelf. Zintuiglijke woorden.’ En voor lichamen die ‘die woorden zo op een scène kunnen brengen dat ze door de toeschouwers ingeademd kunnen worden, geproefd, geroken, gevoeld, gehoord, gezien. Woorden die chemisch op de toeschouwer inwerken.’ Verhelst verschuift de aandacht van acteur naar toeschouwer: acteurs zijn ‘de injectienaald die de toeschouwer bij zichzelf inbrengt’. Hij streeft naar een theater als extase van de werkelijkheid, maar dan niet de extase van het lichaam van de acteur maar van dat van de toeschouwer. Hij realiseerde die droom in zijn succesvolle en veelbesproken voorstelling Sprookjesbordeel waarin toeschouwers individueel en geblinddoekt (erotische) verhalen ingefluisterd krijgen en fysiek worden aangeraakt.

 

Liefde en macht

 

Manipulatie en macht zijn de nachtzijde van de verleiding. In een aantal van zijn teksten houdt Verhelst zich expliciet bezig met de figuur van de machthebber: Richard III (2005), Edward II en in het drieluik Lex (2009), Julius Caesar (2010), Nero (2011). In Verhelsts enscenering van Julius Caesar zijn alleen Caesar en Brutus sprekende rollen. Van enige actie of plotontwikkeling is nauwelijks sprake. Op het toneel zit een vrouw die tijdens de voorstelling schetsen maakt van de lichamen van Caesar en Brutus. Net zoals hun lichamen in die schetsen verschijnen als verstrengelde en lijdende anonieme lichamen, zo verstrengelt de tekst van Verhelst zeer uiteenlopende uitspraken (van Adolf Hitler, Herman Van Rompuy, Heinrich Himmler en Barack Obama) tot een ongemakkelijk en onbehaaglijk geheel van utopisch politiek ideaal en monsterlijke aberratie, van humanisme en totalitarisme.

Geleidelijk aan gaat het expliciet nihilistische van het vroege werk, zowel in de poëzie en het proza als in het theater, over in een dieper besef van het tijdelijke, het eindige en het kwetsbare. De agressie en scherpte van de manipulatieve lust die het eigen en het andere lichaam verwonden, verschuiven naar een melancholisch en tastend verlangen dat zoekt naar een ‘wij’, naar een collectief lichaam. Over zijn teksten Medea en Nero schrijft Verhelst: “We associëren macht altijd met slechtheid. Maar stel nu eens dat macht gevoed wordt door liefde. Dat Medea doodt uit liefde, dat de keizer Nero een begenadigd en zachtmoedig heerser is. Dan ontstaat een heel ander perspectief op macht.”  Recente teksten als Hotel Malaria (2015) en Liefde (2016) zijn intimistische dialogen tussen respectievelijk een man en een jong meisje en een moeder en een dochter. De eerste tekst gaat over het verlangen om door de ander gezien te worden, terwijl in de tweede tekst een moeder en een dochter geconfronteerd worden de terugkeer van hun echtgenoot en vader die oorlogsmisdaden heeft begaan. De maniëristische explosie van taal en beelden van de vroegere teksten heeft hier plaatsgemaakt voor een verstilde maar niet minder intense poëzie.

 
DOWNLOAD TEKSTFRAGMENT UIT ‘AARS!’
 

Website: www.peterverhelst.be

Geschreven door Erwin Jans

Erwin Jans werkt momenteel als dramaturg bij Toneelhuis in Antwerpen. Hij geeft les over theater en drama aan de Artesis Hogeschool Antwerpen, waar hij ook onderzoek doet naar de geschiedenis van de dramaturgische tekst. Hij schrijft geregeld over literatuur, theater en cultuur. Hij publiceerde o.a. Interculturele intoxicaties. Over kunst, cultuur en verschil (2006) en was co-redacteur van Hotel New Flandres (2008), een bloemlezing van naoorlogse Vlaamse poëzie. Samen met Eric Clemens schreef hij het essay Democratie onder vragen (2010), dat ook in het Frans verscheen. in 2017 publiceerde hij een anthologie van het theaterwerk door de Vlaamse toneelschrijver en regisseur Tone Brulin.


BIBLIOGRAFIE

  • Maria Salomé (1997) – uitgegeven bij Bebuquin
  • Minuscule tongvormige droom over goddelijk theater (1998)
  • Romeo en Julia (studie van een verdrinkend lichaam) (1998)
  • Red Rubber Balls (1999)
  • Coupe Royal (2000)
  • Herr Perceval (2000)
  • S*ckmyp (2000)
  • AARS! (2000) (vertaald naar het Engels door Barbara Fasting)
  • Zeven (2001)
  • Universal Irritant (2001)
  • Scratching the inner fields (2001)
  • Het sprookjesbordeel (2002)
  • Blush (2002)
  • Sonic Boom (2002)
  • Monologen (2002)
  • Philoctetes Fortify My Arms (2003)
  • CRASH (2004)
  • Richard III (2005)
  • If (2006)
  • Onder den toren (2006)
  • Edward II, Ed is dead forever yours (2007)
  • Lex (2009)
  • Julius Caesar (2010)
  • Terra Nova (2011)
  • Medea (2011) – uitgeven bij Bebuquin
  • Nero (2011)
  • Africa (2013)
  • Moby Dick (2013) – uitgegeven bij Bebuquin
  • Parsifal (2014)
  • Arthur (2014) – uitgegeven bij Bebuquin
  • Hotel Malaria (2015)
  • Fausttm (2018)